Lied van de Maand

Lied van de Maand

  • MORGENROOD

    ‘ALS MORGENROOD’
    Tekst: Jannet Delver naar Hildegard von Bingen; muziek: Tom Löwenthal

    Gij Eeuwige, gloeiend van liefde,
    die vrienden maakt voor het leven,
    die voordat alles was geschapen
    uw enige als morgenrood dat voor de zon uitgaat, verwekte.
    Roept Gij ons weg uit nood en bitterheid
    en voert ons op de wegen van uw vreugde,

    Liederen onder de loep genomen door Gerard Swüste

    Hildegard von Bingen (1098-1179) heeft een groot aantal prachtige liederen nagelaten. Enkele daarvan zijn op verzoek van het Nieuw LiedFonds door Jannet Delver vertaald. Ze zijn te vinden op de CD Hildegard von Bingen.
    Toen ik de tekst van Als Morgenrood eens goed ging bekijken had ik meteen een associatie met vroeger. De VARA-radio liet op de uitzenddagen ’s morgens vroeg altijd een socialistisch strijdlied horen, gezongen door een koor met de veelzeggende naam ‘De Stem des Volks’. Op zondagmorgen was dat, even na acht uur, altijd het lied ‘Morgenrood’. Ik weet dat nog zo goed, omdat mijn vader en moeder daar uiteenlopend op reageerden. Mijn moeder zong graag luidkeels mee en vond de muziek prachtig. Mijn vader vond tekst en muziek en dus ook meezingen ongepast, zeker op zondagmorgen en al helemaal als we net op het punt stonden om ons naar de Mis van kwart voor negen te begeven. Dit verschil van inzicht had verder nooit nare gevolgen. Wij trokken altijd zeer eensgezind ter kerke. Maar ik wil u de tekst van dit toch niet onthouden. En vergelijk het maar met de tekst van Jannet Delver.

    ‘MORGENROOD’
    Tekst: Dirk Jelles Troelstra (broer van); muziek: Otto Willem de Nobel.

    Morgenrood, uw heilig gloeien
    Heeft ons steeds den dag gebracht
    Breek toch door, o lichtvernieuwer,
    In den groten volk’rennacht
    Laat uw gloren hope geven
    Hun die worst’len in den nacht
    Geef hun moed in ’t voorwaarts streven
    Tot hun ’t daglicht tegenlacht.

    De teksten van beide liederen zijn, uiteraard, niet hetzelfde. Maar toch mogen de overeenkomsten er wezen. Zou het zelfs mogelijk zijn, dat Jannet Delver haar lied expres de titel Als Morgenrood heeft meegegeven? Alsof ze wilde suggereren: het heeft wel veel weg van dat socialistisch strijdlied van weleer.

    Beide liederen bezingen het morgenrood, de aankondiging van een nieuwe dag als teken van hoop, nieuw leven, bevrijding. In het socialistisch strijdlicht wordt ‘licht’ ook duidelijk in de overdrachtelijke zin bedoeld: het is niet alleen het feitelijk zichtbare licht, maar het is een licht dat letterlijk en figuurlijk verlichting, nieuwe mogelijkheden aankondigt. Dat is een betekenis die wij wel herkennen in menig lied dat we zingen.
    Wat dat morgenrood doet is in beide liederen om en nabij hetzelfde. ‘Nood en bitterheid’ zijn van dezelfde toon als ‘worst’len in den nacht’ en ‘de wegen van uw vreugde’ lijken sterk op ‘tot hun ’t daglicht tegenlacht’.
    Verschillen zijn er natuurlijk ook. Hildegard von Bingen richt haar lied tot de Eeuwige. Het lied Morgenrood richt zich tot het morgenrood zelf en blijft daarmee dus ‘horizontaal’. Het lied van Hildegard is een loflied en een danklied gericht tot Eeuwige, Morgenrood is een strijdlied: dat het rood, niet alleen de kleur van het ochtendgloren, maar ook van de socialistische beweging, hun die worst’len in de nacht de moed geven om voorwaarts te streven. Bij Hildegard von Bingen is het licht, de bevrijding een geschenk. In het socialistisch strijdlied wordt bevrijding bevochten. Maar ook bij Hildegard wordt de mens natuurlijk niet verondersteld passief te blijven totdat de Eeuwige iets bevrijdends gaat doen.

    Het lied van Hildegard opent letterlijk vurig: ‘gloeiend van liefde’. Dat kan niet anders of een mens moet dat voelen, die warmte, die gloed. En iedereen moet dat ook kunnen zien. Zoals we de gloed van het morgenrood kunnen zien. De eerste regel klinkt overweldigend, maar in de tweede regel komt het heel dichtbij: ‘die vrienden maakt voor het leven’. Een bijna onuitsprekelijke vertrouwdheid, nabijheid en dat met gewone doordeweekse woorden. De Eeuwige is een vriend voor het leven. Dat komt (in dit lied) vooral omdat de Eeuwige ‘uw enige’ heeft verwekt voordat alles was geschapen.
    Deze ‘uw enige’ in regel 4 is ongetwijfeld de Christus. De eniggeboren zoon, voor alle eeuwen geboren uit de Vader, zoals dat geformuleerd staat in het Credo, de geloofsbelijdenis van Nicea. Deze verwekking van de Christus voordat alles is geschapen wordt vergeleken met het morgenrood dat voor de zon uitgaat. De Eeuwige heeft al voordat de schepping gestalte kreeg gedacht aan bevrijding en nieuw leven. Bij dit beeld moet je misschien ook bedenken dat het scheppingsverhaal vertelt dat God als eerste het licht schiep. Nee, zegt dit lied. Voorafgaand aan het (dag)licht werd de Christus verwekt als morgenrood.
    Het besef dat Christus is verwekt voordat God aan de schepping begon, leefde ten tijde van Hildegard von Bingen heel sterk. Zo moest het wel gegaan zijn, dacht men. Want Christus, helemaal vrij van zonden, kon alleen maar door God zelf verwekt zijn.

    Het verwekken van ‘uw enige’ is het gebaar waarmee de Eeuwige bewijst een ‘vriend voor het leven’ te zijn die gloeit van liefde voor zijn mensen. Want met de komst van Christus is de duidelijk roep gekomen om weg te trekken uit nood en bitterheid en ons mee te laten voeren op de wegen van de vreugde van de Eeuwige.

    Het beeld, dat de Christus vóór alles en iedereen is geschapen, zegt ons waarschijnlijk niet zo veel. Maar laat wel duidelijk zijn: de Eeuwige heeft vanaf het allereerste begin gewerkt aan bevrijding en vreugde. Wij zijn op aarde om hier en hiernamaals gelukkig te zijn, leerde ons de oude catechismus. ‘Gelukkig de mens’ zingt Psalm 1 als opening van het hele boek en daarmee ook het thema aangevend van de hele bundel. Dat is wat de Eeuwige vanaf den beginne heeft gewild. Niet dat de mens in nood en bitterheid zou blijven, maar dat de mens zich zou willen laten leiden op de weg naar vreugde en bevrijding.

    In de muziek worden de laatste twee regels driemaal gezongen. Zo wordt het lied dus totaal: dan zijn verleden, heden en toekomst zijn in die drieslag samengekomen. Nu ligt de weg uit nood en bitterheid naar vreugde open, dan is het al (even) zover.

    Lees verder →
  • KOM, ADEM ONS OPEN

    KOM, ADEM ONS OPEN
    Tekst: Sieds Prins; muziek: Tom Löwenthal

    Laat onze woorden stijgen
    voor uw gezicht als wierook.
    Zie in ons het verlangen
    een mens te zijn van U.


    Kom, adem ons open.
    Kom, adem ons open,
    adem ons open.
    <

    Dit lied onder de loep genomen door Gerard Swüste

    Sommige liederen horen bij een bepaalde tijd van het jaar. Kerstliederen zijn daar een uitgesproken voorbeeld van. Bij Kerstmis lijkt het niet zozeer te gaan om de tekst van een lied, maar meer om het gevoel, of misschien wel de weemoed die zo’n lied oproept. Het heeft eigenlijk iets merkwaardigs: we zijn het hele jaar kritisch op de woorden die we zeggen en zingen, maar met Kerstmis zien we het ruim: Stille nacht, heilige nacht, De herdertjes lagen bij nachte, Wij komen tesamen. We kennen ze uit ons hoofd, omdat ze nu eenmaal al jaren in ons hart zitten. En met Kerstmis staat het hart ook centraler dan het verstand. Eerlijk gezegd kan ik niet al die kerstliederen voluit meezingen, maar helemaal consequent ben ik daar ook niet in. Want voor mij is het altijd een hoogtepunt als de viering op de kerstavond wordt afgesloten met Nu sijt wellekome in die monumentale zetting van Bernard Huijbers. Het liefst zing ik dan alle vier stemmen mee. Overigens waag ik me bij al deze kerstliederen niet aan een tekstanalyse. Deze liederen moeten het helemaal niet van hun tekst hebben.

    Maar er is ook een aantal liederen waar ik bij wijze van sprake ieder jaar op zit te wachten. Die ontroeren me niet alleen omdat ze zo mooi passen bij de tijd van het jaar, maar ook omdat de tekst me aanspreekt. Kom, adem ons open is voor mij zo’n lied. Het is een prachtig geschenk van Sieds Prins en Tom Löwenthal. Kom, adem ons open is bedoeld als acclamatie bij de voorbeden. Het koor leidt de voorbeden in met ‘Laat onze woorden stijgen’, terwijl ondertussen de schaal met wierook tussen de adventskaarsen wordt neergezet. Dan doet de voorganger de voorbeden en na iedere voorbede zingen allen ‘Kom, adem ons open’.

    Het inleidende couplet vindt zijn oorsprong in de Schrift. Er zijn minstens twee plaatsen waar gebed en wierook in verband met elkaar staan. In Psalm 141:2 staat: ‘Laat mijn gebed tot je komen als wierook voor je gelaat’. En in Openbaring 8:3: ‘En er kwam een andere engel die met een gouden wierookvat bij het altaar ging staan. Hem werd veel reukwerk gegeven om het met de gebeden van al de heiligen te offeren op het gouden altaar voor de troon’. Wierook is als het ware het voertuig voor de gebeden: zoals de wierook opstijgt, zo zullen ook onze gebeden opstijgen en komen tot het gezicht van de Levende. Onze gebeden zijn dus niet zomaar woorden, het zijn woorden die zeggen wat we op ons hart hebben. Komen voor het gezicht, het aangezicht, het gelaat van Levende, dat is in de Schrift komen op de plaats waar je gekend, gezien en gehoord wordt.
    De tweede regel, ‘zie in ons het verlangen een mens te zijn van U’ is niet alleen een gebed, maar zegt ook iets over de inhoud van ons gebed en over onze gebedshouding. Bidden is niet het opsommen van een verlanglijstje, het is geen vragen, het is verwijlen bij de Levende met ons leven en alles wat we meemaken, met onze betrokkenheid bij mensen nabij en ver weg, met ons verlangen naar recht en vrede en met de wens dat we daar zelf een bijdrage aan kunnen leveren.
    Dat ‘verlangen een mens te zijn van U’ is een bijzondere formulering. Met name in de Psalmen wordt nogal eens het verlangen naar de Levende uitgezongen, bijvoorbeeld Psalm 25 ‘Naar U gaat mijn verlangen’. Maar in deze acclamatie doet het eerder denken aan de monumentale Psalm 119, waarin de psalmist bij herhaling bidt om de kracht de weg van de Tora te kunnen gaan. De psalmist weet wel dat de Tora de ware weg wijst, de weg naar geluk en vrede, maar hij is er zich ook van bewust dat het geen vanzelfsprekende weg is. Zoals Paulus dat formuleert in Romeinen 7:15: ‘Ik begrijp mijn eigen daden niet. Ik doe immers niet wat ik wil, maar wat ik verafschuw’. Wij willen graag de Schrift beschouwen als ‘een weg voor ons om te gaan’, maar het komt er niet altijd van.

    ‘Kom, adem ons open’ is het gezongen antwoord van de gemeente op iedere voorbede. Het woord ‘kom’ hoort zowel bij de advent als bij Pinksteren. Bij Pinksteren heb ik dan het beeld voor ogen van de leerlingen van Jezus die zich na de hemelvaart teruggetrokken hebben, angstig te moede, en die bij de komst van de Geest ineens naar buiten treden, voor iedereen uit alle uithoeken van de wereld verstaanbaar en begrijpelijk zijn. Vanouds klinkt op het feest van Pinksteren ‘Veni’, ‘Kom’. Het is het gebed om ook die impuls te mogen ontvangen, zodat je het leven aankunt. In de advent, de tijd van verwachting en ook van afwachten, heeft dat ‘kom’ eerder iets van een heilig ongeduld. Ongeduld, omdat je wacht op de geboorte van een kind, een geboorte die staat voor de komst van een andere wereld waar vrede is en recht wordt gedaan. Misschien wel een nieuwe geboorte van ons zelf.
    Ook het woord ‘adem’ past zowel bij Pinksteren als bij de advent. Adem is de scheppende geestkracht van God. Die geestkracht wordt al vermeld in het allereerste begin (Genesis 1:2 en Spreuken 8:22). In Genesis 2:7 komt de mens tot leven als God hem levensadem in de neus blaast. De adem van God geeft levenskracht. In het refrein ‘Kom, adem ons open’ is het woord ‘ons’ goed gekozen: ik bid niet alleen om nieuwe levenskracht voor mijzelf, maar voor ons, als gemeente.
    In dat korte zinnetje is ook het woord ‘open’ belangrijk. Door die levenskracht hoop ik een open houding te krijgen, een open oog voor wat gebeurt, openheid naar anderen toe, niet alleen te leven voor mijzelf.

    Op een andere manier is dit lied in de geschiedenis van de liturgievernieuwing ook van betekenis. Toen halverwege de jaren zestig van de vorige eeuw een herbezinning op gang kwam over de betekenis en de praktische invulling van de liturgie, ging in eerste instantie de aandacht vooral uit naar het woord. Een verkondiging die serieus op de gelezen bijbeltekst inging, liederen die daarbij aansloten, zodat de gemeente het gehoorde kon beamen. En niet meer de gebaren en de symbolen die versleten leken. Zo werd ook het wierookvat opgeborgen in de sacristie als een mooi voorwerp uit voorbije tijden. Toch komt na enige tijd het verlangen naar riten en symbolen terug, omdat woorden, hoe goed doordacht en doorleefd ook, nooit helemaal de kern raken. Zo zien we riten en symbolen geleidelijk aan weer een plaats krijgen in de liturgie, soms nieuwe, soms oude in een nieuw jasje. ‘Kom adem ons open’ heeft de wierook weer binnen gevoerd in onze liturgie. Nu niet meer in een wierookvat, maar in een open schaal, zodat het voor ieder te zien is dat de rook en de geur van de wierook rechtstreeks, samen met ons gebed, opstijgen naar het gezicht van de Levende.

    Lees verder →
  • EIGENLIJK GELOOF IK NIETS

    EIGENLIJK GELOOF IK NIETS
    Tekst: Gerard Reve; muziek: Bernard Huijbers

    Eigenlijk geloof ik niets,
    en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.
    Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,
    dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,
    en dat, in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt
    zoals ik U.

    Dit lied onder de loep genomen door Gerard Swüste

    Onder de titel Dagsluiting staat dit gedicht van Gerard Reve in zijn boek Nader tot u uit 1966. In het boek staan vijf brieven en dertig gedichten. De gedichten hebben als titel Nader tot U (Geestelijke Liederen).In de tijd dat het boek verscheen schreef Gerard Reve nog onder zijn naam G.K. van het Reve. De dertig Geestelijke Liederen zijn allemaal korte gedichten, misschien kun je het beter overpeinzingen noemen. Ze zijn geschreven in de stijl die voor Gerard Reve kenmerkend is: op het eerste gezicht zijn ze geestig, soms ‘op het randje’, bij nader inzien zijn ze bloedserieus. Bijvoorbeeld het gedicht Graf te Blauwhuis, geschreven bij het graf van een 18-jarige jongen die verongelukt is. De laatste regels luiden:

    Gij, die Koning zijt, dit en dat, wat niet al, kom er eens om,
    Gij weet waarom het is, ik niet.
    Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?

    Het zijn fundamentele vragen die in deze gedichten aan bod komen. Ze gaan over de zin en ook de zinloosheid van het leven, de onmacht om te leven zoals je dat eigenlijk zou willen, of zoals dat misschien wel zou moeten. Ze gaan over de bodem van ons bestaan en stellen vragen waar we geen antwoord op hebben.
    Het gedicht Dagsluiting is eigenlijk in zijn geheel ernstig. Het past qua toon in de tweede helft van de zestiger jaren: het opkomend besef dat er vragen zijn, waarop we het antwoord niet weten. Dat de antwoorden die we ooit in de katechismus uit ons hoofd leerden eigenlijk alleen maar meer vragen oproepen. Dat leidt tot een houding die vragen stelt, durft te stellen, die in de vijftiger jaren nog volkomen ondenkbaar waren. Het is de tijd dat Huub Oosterhuis het lied Die zegt god te zijn schrijft. Menigeen kan het niet meezingen, maar voor heel wat mensen opent zo’n lied een nieuwe kijk op wat ons geloof behelst. Ons leven, de zin van dat leven, het bestaan van God, er zijn talloze verhalen, profetieën en psalmen over geschreven, maar nu blijkt dat er ook heel wat vragen bij te stellen zijn. En dan blijkt dat het stellen van eerlijke vragen weliswaar geen echt antwoord oplevert, maar wel het idee kan geven dat je inzicht groeit, dat je troost, bemoediging, vreugde ervaart als je die teksten leest of zingt.

    Wat dat betreft zijn de openingswoorden van Dagsluiting ook tamelijk heftig: ‘Eigenlijk geloof ik niets’. En zoals het in de psalmen ook gebeurt als er sprake is van een zinsnede die de kern probeert te raken, wordt ook hier deze gedachte met andere woorden herhaald: ‘en twijfel ik aan alles’. Het is krachtige poëzie, met dat ‘niets’ en dat ‘alles’. Het ongeloof en de twijfel zijn totaal. Dat mag dan een krachtige en duidelijke opening zijn, in het vervolg blijkt dat die woorden maar gedeeltelijk waar zijn. Na ‘twijfel ik aan alles’, volgt onmiddellijk ‘zelfs aan U’. Hier wordt dus niet zozeer ongeloof uitgesproken, er is op een of andere manier wel een besef van een U. Maar die is ongrijpbaar is, niet te vatten. ‘Alles is lucht’, roept het boek Prediker als een soort refrein: het is om je heen, je kunt het zelfs zo nu en dan voelen en ervaren, je kunt er koud of warm van worden, maar pakken, in handen krijgen, volledig doorgronden, dat kun je niet. Het woord ‘twijfel’ is in dit verband van belang, want het vertelt dat twijfelen, vragen stellen je soms dichter bij de kern kan brengen dan het zomaar aanvaarden en geloven. Dat gebeurt in elk geval in dit gedicht. Want het ‘niets geloven’ en ‘aan alles twijfelen’ wordt gevolgd door een ontroerend beeld van God dat in zekere zin ook een nieuwe kijk op God geeft: hier geen ‘machtige God’, ‘Heer’. Die ook niet met God wordt aangesproken, maar met Gij en met U. Niet een abstract begrip, maar iemand die op een of andere manier aanspreekbaar is, naast je is. Een Gij die ‘eenzaam’ en ‘in wanhoop’ kan zijn. In het verhaal van de Schepping staat dat de mens is geschapen naar beeld en gelijkenis van God. Hier bekijkt de dichter dat gegeven van de andere kant: hoe de mens is, dat weten we wel. Nou, zo is die Gij dus eigenlijk ook.

    De overgang van twijfel naar die andere kijk op Gij gebeurt met het woord ‘maar’. En dan wordt ook de betekenis van het allereerste woord van het gedicht ‘eigenlijk’ duidelijk. Want ‘eigenlijk’ laat ruimte over voor een ander gevoel, voor een andere werkelijkheid.

    Na dat ‘maar’ staat er twee maal het woord ‘denk’. Er speelt zo nu en dan iets in je hoofd, in je hart. Misschien is het maar een gedachte, maar het is er wel. En dan is er ineens ruimte voor hele grote woorden: ‘waarachtig leeft’, ‘dat Gij Liefde zijt’. Dat zijn de woorden die ons van oudsher zijn aangereikt, het zijn misschien ook wel precies de woorden die zo nu en dan twijfel oproepen. Het zijn hoogdravende, grote woorden. Het mooie van dit gedicht is dat ze binnen ons bereik gebracht worden. Want die Gij is niet alleen ‘Liefde’, maar ook ‘eenzaam’. En die heeft ook weet van ‘wanhoop’. Het is ook in die wanhoop dat de dichter en Gij elkaar vinden. De dichter zoekt in wanhoop naar Gij. Maar ineens is hij er zich van bewust dat hij met precies dezelfde wanhoop door Gij wordt gezocht.

    De Schrift vertelt in talloze verhalen hoe God zijn mensen nabij probeert te zijn. Aan Mozes onthult God dat het zijn naam is aanwezig te zijn: Ik-zal-er-zijn. Die aanwezigheid is voor de mensen niet altijd voelbaar. En waar dit gedicht naar toe leidt is de vraag: ben ik eigenlijk wel op zoek naar die Gij? Of ben ik van mening dat die er maar gewoon moet zijn?

    Een gedicht dat begint met een enigszins provocerende uitspraak loopt uit op een ontroerende belijdenis. De dichter en Gij vinden elkaar in de eenzaamheid en de wanhoop. Maar die worden beide geheel en al overschaduwd door de Liefde. Gerard Reve schrijft Liefde, met een hoofdletter, want het gaat niet zomaar over ‘houden van’, maar het gaat over een alles overstijgende liefde, een niet uit te leggen liefde. Het is de liefde die Hadewych in de dertiende eeuw aanroept als ‘Minne’, de Liefde in hoogsteigen persoon.

    Het gedicht heet Dagsluiting. Dat doet denken aan Psalm 4, daar staat in vers 4: ‘de Levende hoort als ik roep’ en dat wordt in vers 5 gevolgd door: ‘Overweeg het in je hart / als je gaat slapen / en word stil’. Het einde van de dag is blijkbaar een moment om niet alleen het verloop van de dag nog eens te overwegen, maar ook om tot kernvragen van het leven te komen.

    Bernard Huijbers heeft op dit gedicht een meditatieve melodie geschreven. Je zingt het niet uit volle borst, maar prevelend, alsof je denkproces nog gaande is, je gedachten zich gaandeweg ontwikkelen tot het toch enigszins verrassende slot. Bijzonder in deze compositie is de orgelbegeleiding: die zorgt ervoor dat dit niet een rustig, kabbelend, harmonieus liedje is dat je zomaar weg kunt zingen, maar dat het een lied is dat ook tegen jezelf ingaat, dat kraakt en knaagt. En dat tot rust komt in die laatste woorden ‘zoals ik U’.

    Lees verder →

Comments are closed.