Gij die weet

‘GIJ DIE WEET’

tekst: Huub Oosterhuis; muziek: Bernard Huijbers

Gij die weet wat in mensen omgaat
aan hoop en twijfel, drift, plezier, onzekerheid.
Gij die ons denken peilt
en ieder woord naar waarheid schat
en wat onzegbaar onmiddellijk verstaat.

Gij toetst ons hart
en gij zijt groter dan ons hart.
Op elk van ons houdt Gij uw oog gericht.
En niemand, of hij heeft een naam bij U.
En niemand valt of hij valt in uw handen
en niemand leeft of hij leeft naar U toe.

Maar nooit heeft iemand U gezien.
In dit heelal zijt Gij onhoorbaar.
En diep in de aarde klinkt uw stem niet.
En ook uit de hoogte niet.
En niemand die de dood is ingegaan
keerde ooit terug om ons van U te groeten.

Aan U zijn wij gehecht. Naar U genoemd.
Gij alleen weet wat dat betekent. Wij niet.
Wij gaan de wereld door met dichte ogen.

Maar soms herinneren wij ons een naam,
een oud verhaal dat ons is doorverteld,
over een mens die vol was van uw kracht,
Jezus van Nazareth, een zoon van Abraham.
In hem zou uw genade zijn verschenen,
uw mildheid en uw trouw. In hem zou voorgoed
aan het licht gekomen zijn hoe Gij bestaat:
weerloos en zelveloos, dienaar van mensen.

Hij was zoals wij zouden willen zijn:
een mens van God, een vriend, een herder,
die niet te eigen bate heeft geleefd
en niet vergeefs, onvruchtbaar is gestorven.

Die in de laatste nacht dat hij nog leefde
het brood gebroken heeft en uitgedeeld
en heeft gezegd: Neemt, eet, dit is mijn lichaam –
zo zult gij doen tot mijn gedachtenis.
Toen nam hij ook de beker en zei:
Dit is het nieuw verbond, dit is mijn bloed,
dat wordt vergoten tot vergeving van uw zonden.
Als je uit deze beker drinkt, denk dan aan mij.

Tot zijn gedachtenis nemen wij daarom
dit brood en breken het voor elkaar,
om goed te weten wat ons te wachten staat
als wij leven hem achterna.

Als Gij hem hebt gered van de dood, God,
als hij, dood en begraven, toch leeft bij U,
red dan ook ons en houd ons in leven,
haal ook ons door de dood heen, nu.
En maak ons nieuw, want waarom hij wel,
en waarom wij niet –wij zijn toch ook mensen.

Dit lied onder de loep genomen door Gerard Swüste:

De tekst van Gij die weet staat in Zien – soms even uit 1972. Het tafelgebed heeft een roemruchte geschiedenis: het werd gezongen op de eerste bijeenkomst van de 8-mei-beweging in 1985 waar kritische katholieken bij elkaar kwamen om voorafgaand aan het bezoek van de paus aan Nederland het ‘andere gezicht’ van de r.k. kerk van Nederland te laten zien. Bovenstaand tafelgebed was voor velen ook een ander geluid. Het schoot bij de bisschoppen danig in het verkeerde keelgat. Niet alleen vanwege de tekst, maar vooral omdat de hele gemeente mocht meezingen, zelfs bij de instellingswoorden en dat was in hun ogen een rechtstreekse aantasting van het priesterschap.

Maar laten we ons concentreren op de tekst. De eerste woorden zijn ‘Gij die weet’. En daar staat tegenover het ‘maar’ in het derde couplet. Gij weet van in mensen omgaat, Gij kent ons, Gij toetst ons hart. Het is in de lijn van Psalm 139: Gij peilt ons hart en Gij kent ons. En daar staat couplet 3 tegenover: Gij weet alles, maar… niemand heeft u ooit gezien. Uw stem horen we niet, niet diep in de aarde en ook uit de hoogte niet. Even tussen haakjes: dat laatste is een prachtige woordspeling: wij horen uw stem niet vanuit de hemel, maar het is ook niet een stem die tot ons spreekt vanuit de hoogte, vanuit een machtspositie, een stem die ons kleineert. En niemand die gestorven is, is teruggekeerd met de boodschap ‘hartelijke groet van God’.
In die eerste coupletten wordt de tegenstelling neergezet die door het hele tafelgebed loopt. ‘Gij weet’ maar …‘wij gaan de wereld door met dichte ogen’. Daar gaat wel aan vooraf dat wij ‘aan U gehecht zijn, naar U genoemd’. Maar, letterlijk, God mag weten wat dat precies betekent.
Dan komt er een tweede ‘maar’. Wij weten weliswaar niets, maar…soms herinneren we ons een naam, een oud verhaal. Het verhaal van Jezus van Nazareth. Het is opmerkelijk hoe dat verhaal in dit tafelgebed wordt ingevoegd. Met ‘soms’, een ‘oud verhaal dat ons is doorverteld’. Het verhaal is natuurlijk meer dan bekend, velen horen het bij wijze van spreken een leven lang bijna elke zondag. Het is alsof deze zinnen ons eraan herinneren dat we het verhaal bijna uit ons hoofd kennen, maar dat het toch steeds weer echt tot ons moet doordringen. We kennen het wel, maar eigenlijk weten we het niet. Het is steeds weer nieuw, verrassend, misschien ook wel schokkend.
Dat is het verhaal van Jezus van Nazareth. In de loop van jaren is de toevoeging ‘een jodenman’ veranderd in ‘een zoon van Abraham’, waarschijnlijk omdat dat iets eerbiediger klinkt naar de joodse mensen toe.
‘In hem zou uw genade zijn verschenen…in hem zou aan het licht gekomen zijn..’ . Er staat uitdrukkelijk twee maal ‘zou’. Het is nog steeds: Gij weet en wij niet, wij vermoeden hoogstens. Dat ‘aan het licht gekomen’ is ook een mooie woordspeling. Er staat dat in Jezus duidelijk is geworden hoe God bestaat, (beeld en gelijkenis), maar intussen is het ook Jezus zelf die zich het licht van de wereld noemt. En hoe bestaat God dan? Net zoals we in Jezus hebben kunnen zien, zingt het lied: weerloos, zelveloos, dienaar. Dat ‘zelveloos’ komen we in Van Dale niet tegen, maar het is duidelijk: zichzelf wegcijferend, het tegenovergestelde van egocentrisch.
‘Hij was zoals wij zouden willen zijn’: hij is dus een voorbeeld, wij willen een voorbeeld aan hem nemen. Vriend zijn, herder zijn, niet te eigen bate leven. En bij hem was het dan ook zo, dat hij niet vergeefs, onvruchtbaar is gestorven. Dat zouden wij ook willen.

Daarna volgen de zogeheten instellingswoorden: ze zijn tamelijk klassiek, ongeveer uit het oude Romeinse tafelgebed, de canon, vertaald. Want deze klassieke woorden geven precies weer wat Jezus was: aan de ene kant een mens van vlees en bloed, zoals wij, zoals wij zouden willen zijn, maar ook een mens van God die brood breekt als teken dat hij zijn lichaam en zijn leven geeft, die de beker laat rondgaan als teken dat God vergeeft wat wij verkeerd deden.
Wij delen in dat gebaar ‘tot zijn gedachtenis’. ‘Gedachtenis’ is een beladen woord: we roepen op wat in het verleden is gebeurd, we doen dat nu, met het oog op onze toekomst (‘Om goed te weten wat ons te wachten staat’). Verleden, heden en toekomst komen in dit gebaar bij elkaar. Dat is de kern van Eucharistie.

Dan is er nog zoiets als een slotgebed. Meestal is dat een gebed tot de Geest. Dat wij leven in de geest van Jezus van Nazareth, dat die geest over ons komt. Hier is het: als hij, Jezus, ondanks de dood toch leeft bij U, God, red dan ook ons. Houd ons in leven. Dit is, denk ik, niet een bede waarin we aan God vragen dat er toch maar een hemel mag zijn, waar we na onze dood voor eeuwig kunnen genieten. Het lijkt mij vooral een gebed om echt te leven, om niet tijdens ons leven al dood te zijn, onvruchtbaar, levend voor onszelf. Dat is ook de dood of de doodlopende weg waar de Psalmen en de Boeken van de Wijsheid het over hebben. Niet zozeer een leven na de dood, maar een leven dat niet zit op een doodlopende weg. Dus eigenlijk is dit ook een gebed om te leven in de geest van Jezus van Nazareth.
Het einde is enigszins gewaagd: ’waarom hij wel en wij niet; wij zijn toch ook mensen!’ Maar het is ook een echt gebed. Jezus wordt daarin gezien als een mens die werkelijk geleefd heeft, die werkelijk een voorbeeld is, die werkelijk brood en wijn heeft gezegend en uitgedeeld. Hij mag dan, zoals het lied zegt ‘leven bij U’, wij kennen hem vooral als een mens zoals wij. Laat ons dan ook zo vruchtbaar mogen leven.

Nog iets over de muziek. In de oorspronkelijk partituur staan allerlei herhalingen. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat het tafelgebed werd doorgezongen tijdens het uitdelen van brood en wijn en dat aan het einde van die uitdeling het slotgebed ‘Als Gij hem hebt gered’ werd gezongen. Dat is overigens niet zo vaak in praktijk gebracht. Maar wel zijn vaak de zogeheten instellingswoorden herhaald. En dat was opzet van Bernard Huijbers. In de r.k. liturgie is de zogenoemde consecratie, het uitspreken van de instellingswoorden door de priester, een heilig moment: dan verandert brood in lichaam van Christus en wijn in bloed. Het is een moment dat men knielt, stil is, dat de misdienaars met hun bellen rinkelen en het is het hoogtepunt van de eucharistie. Bernard Huijbers wilde van die plechtstatigheid af. Er is niet één moment. God is al lang in ons midden, de hele viering al, ons hele leven al. Door de instellingswoorden te herhalen liet Bernard Huijbers dat duidelijk weten. Zo zie je: ook met muziek kun je theologie beoefenen!

Deel dit artikel!

Comments are closed.